Brief aan zus

Dag Mieke,

Daar is hij dan, die jaarlijkse publieke brief. Ik schrijf er meer hoor, denkbeeldig. In de auto, in bed, in de zetel.
Het is me weer een jaar geweest.
Onze moeder leeft nog. Enfin, denk ik toch. Ik heb geen politie aan de deur gehad, ik denk dus niet dat ze ergens begraven ligt zonder dat ze aan mijn deur stonden.

Met Dirk en de kindjes en Gert gaat het goed, Ramona zit in Londen, die stelt het meer dan uitstekend. Met de vrienden ook.
Ze blijven voor me klaar staan, steeds opnieuw. Zonder zeuren.

En met mij gaat het zoals gewoonlijk. Goed omringd, vaak gelukkig maar nog steeds vechtend tegen een totaal dolgedraaide wereld.

Dolgedraaid met een aanslag op Zaventem, terreur nestelt zich onder de kerktoren, dolgedraaid omdat we gewoon verder doen, zonder enige zorgcorrectie na het vinden van een 19-jarige dode jongen in een tent. Jawel, Mieke, hier vlakbij. Dood van ontbering.
Dood zoals die kinderen waarover ik vertelde als ik weer terugkwam van één van die reizen in ver oorlogsgebied.

En er is nog nieuws. Mijn jeugdrechter is dit jaar gestorven.
Dat deed me ook wel wat. Weer een stukje tak van die boom, die enige boom die weet welke waanzin onze jeugdshit was.

Het bracht mijn hoofd weer naar die resem herinneringen waarover het zo moeilijk praten blijft.
Mensen verwachten zaken uit een film.
Mijn vader, dat vatten de mensen. Veel te streng en autoritair.

Maar hoe vertel je de wereld de waanzin van onze moeder?
Hoe?

Zie je ons nog staan bij de kapper, Mieke?
Moemoe had gebeld, totaal overstuur “Vriendeke, nu moet ik hier een rekening betalen van 3000 BEF van mijn klein pensioentje en ik heb dat niet”.

Daar had ze het weer gelapt. De moeder die ik nooit heb gezien, had weer zwaar ingebeukt in onze privé.
In het geniep een paar keer op ‘de poef’ naar de kapper, de kapper van ons moemoe: “Mijn moeder zal dat wel betalen.”

Ik weet niet meer of jij het gezegd heb of ik. “Moemoeke, maak je geen zorgen, wij zullen dat wel betalen”. En dan weer rondbellen om te zien of onze moeder ergens in een psychiatrie zat of weer vrij zat rond te lopen en met de hoop om toch iemand te vinden die kon handelen waardoor ze niet zomaar naar de winkel of de kapper ging achter onze rug op ‘onze’ kosten.

Met een grootmoeder die we allebei doodgraag zagen en steeds in die shit belandde, de daver op het lijf, met haar klein – net leefbaar – pensioentje.

Nee, dat krijg je niet verteld aan de mensen. Die dagelijkse terreur van een gek mens.
Die dagelijkse angst “wat zal het nu weer zijn?”
Zit ze binnen of loopt ze rond?

En dan gingen we vaak iets drinken en dan hoefden we geen woorden uit te spreken. Jij wist het met één blik, ik ook.
Het geluk als zussen samen te zitten, te genieten en de constante pijn van al die verloren jaren dat we van jeugdzorg niet samen mochten zijn.

Daarom Mieke, wat blijf jij toch dat grote gat in mijn hart.
Dat voelbare gemis.
Die persoon die niet meer opneemt als ik denk “godverdomme, dat had ik Mieke willen vertellen”.

Maar hey, ik zeg het je elk jaar. Jouw sprong voor de trein is er één die ik als eerste versta.
Dat hoofd dat de rust zoekt. Die drang om die waanzin te stoppen.
De mokerslagen een halt toe te roepen.

Het zal een moeilijke dag worden. Daar vind ik nog steeds de kracht niet. 9 december zal tikken tot dat moment dat slachtofferhulp vier jaar geleden aan de deur stond.

Tot dat moment dat alle verdriet uit de kindertijd toch nog kon overtreffen, 22 uur ’s avonds en de woorden van de politie “uw zus is om halfzeven voor de trein gesprongen”.

De meest vreselijke woorden ooit gehoord.

Maar hey, ik heb ook plannen. Fijne plannen.
En het is een vrijdag, dus de tiener-rakker komt weer want weekend.

En die zal ik dan eens vastpakken en nog eens duidelijk zeggen “het leven is de moeite waard”.
En dan komt het wel weer goed want hij heeft al gebeld en we moeten schoenen gaan kopen. Dat wordt fun.

En zaterdag ga ik naar de prijsuitreiking van de prijs voor de rechten van de mens.
Ook iets om heel hard naar uit te kijken. Want je zou verschieten Mieke, hoe normale mensenrechten in die paar jaar dat je er niet meer bent, niet meer zo vanzelfsprekend zijn geworden. Jawel, er zijn nog potjes waanzin waar geen dekseltje op past.

Liefs zus.
Mis je. Big time.

SVN

Kansarmoede-aanpak is meer dan een job onder het minimumloon

Er is de theorie en de praktijk. En de theorie bepaalt met stip dat ik uit een kansarme situatie kom.
Mijn moeder zit al van mijn geboorte ergens zot te wezen, ik ken haar niet, zou tot vandaag niet weten of ze centjes heeft of bergen schulden.
Met mijn vader werd de band doorgeknipt door de jeugdrechter, die fameuze beschermingsmaatregel.
En daar sta je dan na jeugdinstellingen op 18 jaar op straat en dan val je op het leefloon en verhuis je naar een kamertje in een stad.
Pas op, toen was het leefloon ook al aan strikte voorwaarden want ik werd geschrapt omdat ik koos voor universitaire studies en ik moest beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Holé.

Vandaag sta ik in het leven zo het hoort en dat al jaren en jaren. Volgens die theorie.
Ik betaal driemaandelijks mijn verplichte bijdragen als zelfstandige, heb geen schulden, heb alle verzekeringen en kan – de ene maand al wat beter dan de andere – rondkomen.

Nu de praktijk. Nooit denk ik over mezelf dat ik uit een kansarme situatie kom. Integendeel.
Niet dat ik niet liever in een warm gezin was opgegroeid, maar het instellingsleven heeft me gevormd. Het was de hele wereld in een leefgroep van 6 op 6 vierkante meter.
Er zat een Marokkaanse jongen, een meisje uit Soedan, een jongen uit Irak.
Er zat een dochter van een schooldirecteur en er zaten kinderen die nog nooit verse groenten hadden gegeten, jarenlange armoede thuis en dat jaren voor ze werden ‘ontdekt’ door de jeugdzorgkokers.

Er waren opvoeders die je in een richting stuurden, muziek, sport en andere interesses. Die met je naar een museum gingen en naar het Brusselse justitiepaleis of een dagje naar zee.
Kortom : de wereld lieten zien, ook buiten die 6 op 6 vierkante meters.

En het waren vooral opvoeders die je het belang meegaven van te vechten voor wat je graag doet en het belang van een sociaal vangnet hebben uitgelegd. Niet één keer, maar wekelijks. En daar ook werk van maakten.

Ik zou hier niet schrijven mocht ik op 18 jaar aan minder dan een minimumloon een verplichte job hebben moeten uitvoeren.
Ik kan het me niet voorstellen. Die druk, die luttele centjes zonder grondig perspectief. Mag dat?

Zonder dan nog dat noodzakelijke spaarpotje dat je kreeg op 18 jaar, gespaarde centjes door de overheid – helaas ondertussen voor vele instellingskinderen afgeschaft – waarmee je dat kamertje kan inrichten zodat het een beetje ‘thuis’ voelde.

En ja, er is die andere praktijk. Ik heb de overheid geld gekost.
In de instellingen, aan loonkost jeugdrechter en consulenten en opvoeders. En aan die maanden en maanden dat ik op het OCMW stond voor ik mijn leven op de rails kreeg.
Et alors?

SVN

Afscheid van mijn jeugdrechter.

R.I.P. Jan Peeters. En nog eens ‘nen enorme dikke merci’.

Michel Verschueren en andere voetbalbekendheden zijn in shock en ervaren groot verdriet bij het heengaan van Jan Peeters.

Zo klinkt het op radio en tv en staat het in uw krant.
Jan Peeters, bekend via zijn rol bij de voetbalbond.

Minder publiek bekend maar daarom geenszins van minder belang : een jeugdrechter van velen. En helemaal om aan te stippen : een jeugdrechter wat een jeugdrechter hoort te zijn.

Ik zie hem nog staan met zijn sjieke kleren en lange kostuumjas.
“Alé Saskia, zeg eens meiske, waarom luistert gij altijd naar muziek?”
Herinneringen kleuren met de tijd, maar hoogstwaarschijnlijk reageerde ik schouderophalend.
Ik had het voor de zoveelste keer gehad met die zoveelste instelling en het zoveelste agressiefeit met één van de andere kinderen in mijn leefgroep.
“Omdat ge hier allemaal mijn kloten kunt kussen” heb ik waarschijnlijk gefluisterd. Want dat ik wist ik wel. Tegen jeugdrechter Jan moest je beleefd zijn of je zat met één knip in het verbeteringsgesticht voor meisjes in Beernem. Zo noemde dat toen en zo werd daar mee gedreigd als je niet luisterde.

En dan kwam Jan Peeters en dan begon hij te vertellen. Zinnen die toen ook vaak gezaag leken maar zinnen die me gevormd hebben tot wie ik ben. Vandaag.

Dat ik moest stoppen met mijn gezond hoofd dat zieke hoofd van mijn moeder te proberen begrijpen. Dat hij wel moest ingrijpen en tussen mij en mijn vader moest gaan staan “omdat we de zaken niet met agressie oplossen Saskia. Ik wil luisteren naar ouders maar ze mogen hun kinderen niet verrot slaan”.

En ik heb tegen hem geroepen. Omdat hij de opdracht gaf aan mijn opvoeders mij weg te sturen naar de jeugdherberg in Oostende.

“Wat voor een kutjeugdrechter zijt gij feitelijk? Dat ik verplicht twee dagen naar een jeugdherberg moet, helemaal alleen”.

En hij bleef achterover leunen, liet mij razen en zei dan, in zijn steeds aanwezige kalmte “omdat ik weet dat dat je goed zal doen, weg van die instellingsstructuur, maturiteit leer je door te leven, Saskia”.

Omdat je mij blij maakte omdat je een brief stuurde dat ik toelating had naar Werchter te gaan “veel luistergenot en amuseer je Saskia, jouw jeugdrechter”.

Omdat je, in een periode dat ik door mijn thuissituatie zowat elke volwassene in mijn buurt wantrouwde, mij leerde dat er ook mensen zijn met een hart, en vooral omdat je in jouw laatste preek bij het sluiten van het dossier duidelijk zei “Ge hebt nu de rechten en plichten van een volwassene Saskia, verbreek mijn vertrouwen niet, blijf wie je bent, jij komt er wel”.

Dàt moment dat voor de eerste keer iemand in mij geloofde, daarvoor zeg ik “bedankt jeugdrechter, bedankt Jan, dat je mag rusten in vrede en dat jouw visie terug mag doordringen in de jeugdsector. “Meer mens, een luisterend oor en minder administratieve regeltjes”.

SVN

Vroeger en nu. Hetzelfde.

Soms is eigen verhaal nodig om héél hard op tafel te kloppen, in het belang van andere kinderen.

Kan iedereen hier echt bij stilstaan aub?

Ik was ongeveer 6 jaar, een datum weet ik niet, ik hoor nog bij de generatie waar jeugdrechtbankdossierinzage van alle stukken wordt afgewimpeld.
Van de ene dag op de andere ging ik terug naar mijn vader.
Dat na jaren in een pleeggezin.
Het duurde tot mijn dertig jaar voor ik mijn pleegouders die jaren voor me hadden gezorgd, vanaf mijn babytijd, terugvond.

Mijn pleegmama Marleen “Plots was je daar niet meer. ’s Morgens had ik je nog naar school gebracht. Dagen heb ik aan de schoolpoort gestaan, maanden ben ik depressief geweest, ik belandde op de ziekenkas want ik miste je te hard en ik maakte me zorgen, je was nergens meer te vinden”

Toen ik daarna aan mijn jeugdrechter en mijn opvoeders – bij mijn vader liep het vrij snel goed fout, ik ging dus naar de jeugdinstellingscarrousel – vroeg naar mama Marleen en papa Geert, kreeg ik steeds te horen “In het belang van het kind is het beter dat contact te laten rusten”.

Toen ik dertig jaar was vond ik mijn pleegouders terug via via en kreeg ik dan ook voor de eerste keer fotootjes te zien van mezelf als baby, peuter en kleuter, hoorde ik dat ik een vaste knuffel had – een geel eendje – en dat ik zot was van kinder- surprise-eitjes en altijd lachte.

Vandaag lezen we het hallucinante verhaal van een 12-jarig kind in Mechelen.
12 jaar groeide ze op in een pleeggezin, vanaf babytijd en blijkbaar heeft haar bio-papa zonder overleg via de familierechtbank zijn dochter teruggevraagd.

Dat werd toegestaan. Pleegouders en kind wisten niets, plots stond pleegmama aan de school en hoorde ze dat haar pleegdochter “in een auto was gestapt met een man”

Het parket Mechelen wil niet reageren. Justitie laat weten dat het een burgerlijke zaak betreft waardoor het niet nodig was om alle partijen te horen en een sociale enquête te houden voor ze het kind terug toewijzen aan de bio-ouder.

Ik geef vaak lezingen over jeugdzorg. Overtuigd bij eigen verhaal beantwoord ik daar vragen en zeg ik steeds “Gelukkig zijn er verbeteringen. Zo zal er nu niet meer na een sterke band met pleegouders, zeker niet na jaren, meteen teruggeplaatst worden zonder overleg en van de ene dag op de andere. Dat moment vergeet je nooit en is namelijk te gruwelijk”

Helaas, zijn we zo een hellend vlak bij Vlaamse jeugdzorg geworden dat ook dat nu niet meer kan worden gezegd.

5 over 12, Brussel. We verwoesten echt kinderlevens.

SVN

Onverwerkt verleden

10 mei 1946. Jawel, exact 69 jaar geleden.

Beste BDW,

U werd deze week door verschillende mensen een groot politicus genoemd.
Reden : u gaf tijdens een speech excuses aan de Joodse gemeenschap voor de collaboratie door de Vlaamse beweging.

Meteen kroop iedereen in de pen. Wallonië werd erbij gesleurd. Daar waar individuen ook collaboreerden maar het achteraf opvallend minder politieke recuperatie kende.
Dat kan moeilijk van de Vlaamse beweging gezegd worden.
Uw broer heeft dan ook een punt wanneer hij vreest dat vele Vlaamse families uw excuses nog niet zullen aanvaarden omdat ze nog met een onverwerkt verleden kampen.

Welnu , we hoeven geen psycholoog of historicus te zijn om te weten dat we een verleden verwerken door juiste info.

Ook ik ben een kleinkind van een collaboratie-familie.
U hebt ongetwijfeld van mijn vader gehoord.
Mede-oprichter onafhankelijk Vlaams ziekenfonds, groot pleiter voor een splitsing van de sociale zekerheid, dat al in de jaren tachtig, fervent Voerstreek-straatstoker ‘Vlaamse taal eerst’ en overtuigd lid en actievoerder Volksunie.

Zijn vader, mijn grootvader, werd veroordeeld op 10 mei 1946.
Deze datum weet ik als kleinkind enkel omdat er een genadeverzoek werd ingediend en die verwijzing wel openbaar is. Daar hoef ik enkel een verzoekschrift als rechtstreeks familielid in te dienen.
Daarin wordt gezegd dat het vonnis op 10 mei 1946 werd uitgesproken.
Voor de rest weet ik enkel dat mijn grootvader jaren en jaren en jaren in de gevangenis heeft gezeten.
En dat zijn vonnis werd opgeslagen in het Algemeen Rijksarchief 2, Dépôt Cuvelier.

Die vonnissen zijn nog steeds gesloten.
De toelating kan enkel worden bekomen via een schriftelijke toestemming van het Collega van Procureurs-generaal.
Deze vijf topmagistraten heb ik al verschillende keren aangeschreven.
Mijn eerste verzoek dateert van februari 2013.
Nog steeds hebben ze niet geantwoord.
Nog steeds moeten deze vijf topmagistraten zich nergens verantwoorden wegens het niet beantwoorden van verzoeken.

Wordt het dus niet eens hoog tijd, beste meneer De Wever, dat we die wet “gesloten wegens te pijnlijke geschiedenis” veranderen en kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van collaborateurs de kans geven te mogen weten wat er nu werkelijk gebeurd is?
Minstens de vonnissen te mogen lezen van deze zeer pijnlijke geschiedenis?
Hen de kans te geven dit te openbaren?

Zou dat niet pas ‘een écht excuus aan de Joodse gemeenschap’ zijn?
Die doofpot te stoppen?

Toon inderdaad dat u een groot politicus bent, BDW.
Verander de wet.
Gooi dat archief open.
Laat u niet meer temmen.

SVN .

Vriendschap en menselijkheid maken het leven de moeite

Wow. Dit zijn diepe tranen. Van blijdschap. Van geluk dat ik supervrienden heb.
Dit schreef één van mijn beste vrienden, soulmate, werkzaam bij de federale politie ook, zonet over de heisa rond John Crombez.
En ja, hij was op de begrafenis van mijn zus.
En ja, hij hield er mijn moeder met een collega in het oog zodat ik ze niet hoefde te zien. En ja, ik gaf hem achteraf het nummer van Crombez in een zaak van domiciliefraude. “Vraag dat eens aan John, die bijt niet”.

Ik wil jullie zijn tekst niet onthouden.
Omdat het over het leven gaat. Uit het leven gegrepen.
Een tekst waar het leven écht overgaat.
En omdat hij dé focus legt “zouden we eens niet met zijn allen de jeugdrechter bellen en vragen hoe het nu eigenlijk zit met het welzijn van de twee jongens?”

Thanx Rudi.

En hierna terug ‘mijn’ kindjes in jeugdzorg trouwens. Genoeg gezeverd nu over Crombez, Vlaanderen.

Zijn tekst, tekst van een vriend :

Het is duidelijk weer eens kermis in de hel. Krantenkoppen groter dan een huis. Uitbundige redacties gooien zich met ware doodsverachting op het grote nieuws: John Crombez, de (te snel) rijzende ster van de sossen is stout geweest. Yochei! Eindelijk vingerlikkend nieuws. Na maandenlange IS-ellende nog eens terug soap van eigen bodem.

Het is grandioos vast te mogen stellen hoe een complete politieke meute uit zijn winterslaap is wakker geschoten en zich over alle partijgrenzen heen te goed doet aan het nieuwste spelletje sossenjagen. Het heeft voor de meesten iets van ‘als ze hem pakken kan ik rustig verder in mijn hoekje blijven zitten’, voor anderen is het 99 procent pure cacao-bittere ernst.
De deontologische raad van het Parlement wil den John doen verschijnen. Vergissen ze zich niet van soap? Deze John heeft haar, ook op zijn tanden. Of vergissen we ons misschien schromelijk door te stellen dat ons aller-vriend moet verschijnen, maar eerder vriendelijk wordt verzocht aan de raad te komen uitleggen wat precies deontologie is? Ik vermoed het laatste.

Ik mag wel zeggen dat ik redelijk onafhankelijk van elke politiek sta. In mijn Mechelse jeugdjaren was ik wel een naarstig frequentant van het Groentje, een clubje van de CVP-jongeren, maar vooral omdat de pintjes daar tien frank kostten. Inmiddels heb ik her en daar politici van zowat alle mogelijke strekkingen ontmoet en het mag gezegd, zowel een Marc Hendrickx, Hamid Riffi, Caroline Gennez, Koen Anciaux zijn eigenlijk dezelfde toffe mensen, maar gewoon met een ander kleurtje.

Ik heb mij ook steeds van elke belangengroep afzijdig gehouden, ondanks voorstellen om te worden geïntroduceerd bij Rotary Zichem-Zussen-Bolder, Lions Erps-Kwerps of het Opus Dei zelf. Niets van dat alles. Onafhankelijkheid laat toe om over alle grenzen heen te kijken, en zodoende de pure kwaliteit te herkennen.

Dik twee jaar geleden in het Crematorium. Mieke, zus van Saskia Van Nieuwenhove is niet meer. Miserie, pijn, verdriet, onwezenlijk hard, kinderen, echtgenoot, familie, onnoemelijk veel vrienden, onnoemelijk veel leed. De moeder die haar eigen dochter letterlijk de grond inboorde staat naast mij, verongelijkt. Ze klaagt tegen de talrijk meekomen supporters dat ze miskend wordt. Ze is toch nog steeds de moeder? Een ex-collega komt naar mij toe. Is dat waar wat er verteld wordt, kan het nu echt zijn dat mijn nicht zo’n onmens is? Haar andere supporters staan er onwennig bij, niet meer wetende wat te denken. Wat is hier in deze familie verdomme gebeurd zeg. Door wie hebben wij ons jarenlang in de luren laten leggen? Massa’s verdriet, samengebald in een onoverzichtelijke massa. Terwijl de moeder verder jammert heb ik er genoeg van en ga wat verder staan. Mijn gedachten dwalen af naar de bestuurder van de trein, de laatste die in de reeds dode ogen van Mieke heeft gekeken. Gruwel alom, ook voor hem. Een kennis van mij is na zijn vierde dode gestopt met zijn kinderdroom. Wennen doet het nooit. Ik vraag met net af of hij begeleiding krijgt, of et iemand is die voor zijn leed zorgt, of ik in zijn toestand naar de begrafenis zou komen, wanneer ik Sas terug in de mot krijg.

Ondanks het immense verdriet dat haar nog steeds naar de keel grijpt slaagt ze erin een flauwe glimlach te voorschijn te toveren.
Ik hoor me in automatische piloot zeggen: “Erg mooi gesproken Sas, de hele zaal stond er met snot in de ogen en tranen in de neus.”

Sas recht de schouders. “Rudi, dit is mijn vriend John”, stelt ze iemand voor. Ik bemerk een opvallend jonge, vriendelijke kerel met donker krulhaar, die me vrank aankijkt. “Tiens”, denk ik, eindelijk nog eens iemand die met enige interesse een onbekende de hand schudt en niet intussen al met andere mensen gaat praten.

John wordt door Saske deskundig voorgelicht dat ik een goede vriend ben die de moeite heeft gedaan om helemaal uit Antwerpen naar de dienst te komen en vindt dat leuk. Nou ja, hij heeft toch net hetzelfde gedaan, dus geen punt hoor.

Nog wat heen en weer gepraat en John vertrekt. Saskia vraagt me wat ik van John Crombez denk. “O, was dat John Crombez?” Wist ik veel.

Ja, hij is er steeds wanneer hij er moet zijn. Inderdaad zeer attent van hem om langs te komen. Leuke kerel.

Enkele maanden later. Na een discussie over een onderwerp waar we het niet over eens geraken geeft Sas me een nummer. Bel eens naar John, die kent alles van dat onderwerp en vraag hem wat hij erover denkt.
Oke. Doen we even hoor.
Staatssecretarissen zijn ook maar mensen zeker. Een rustige stem neemt de telefoon op. Ha ja, de Rudi van op de afscheidsdienst van Mieke, jawel. Zeg het maar. Rustig, kalm, geduldig, vriendelijk, gedecideerd, duidelijk mening. Het Engels heeft er een prachtig woord voor: “Whit”. Nog een vriendelijk afscheid en tot ziens.

Vanmorgen moest ik dit alles overdenken bij het lezen van het onwerkelijke persbericht.
John Crombez naar de deontologische commissie van het parlement. Hij heeft het lef gehad een jeugdrechter op te bellen om het leed van twee kinderen aan te kaarten.
Scheiding der machten is inderdaad een mooi principe. Heeft kindervriend John een rechter aangesproken om onder een gevangenisstraf uit te komen, om een boete te laten vallen of zich op een of andere manier slinks te verrijken? Niets van dat alles. Hij heeft zich mens getoond.

John heeft voor de zoveelste keer in zijn hart laten kijken en bewees dat hij dat hart op de juiste plaats heeft. Als hij daarvoor ook zijn nek moet uitsteken, so be it.

Het is toch zeker wel de verdomde plicht van onze politici controle uit te oefenen op het fiasco van het gerechtelijk systeem, dat inmiddels niets anders kan doen dan zichzelf uit eerlijke schaamte failliet te verklaren.

Zouden we trouwens met zijn allen eens niet naar de jeugdrechter gaan bellen hoe het nu eigenlijk zit? Ik wil het ook wel eens weten, want als Saske er ongerust over is, zal ze wel een reden hebben. Ik ken haar.

John wordt een van de volgende jaren premier of minister-president, let op mijn woorden. Geen blaam van een inderhaast bijeen geroepen commissie kan daar nog iets aan doen.

Populariteit vang je niet met een leeggeperste citroen maar met een vranke blik, een ferme handdruk en een gemeende glimlach.

X.