Zorgcentrum na Seksueel Geweld

Dank Zuhal Demir en nu ook Kris Peeters

Het was een zondagnamiddag. Er was enkel de huisdokter van wacht en meteen was duidelijk dat een verwijzing nodig was. Aan de gescheurde kleren. Aan de houding. Aan het beven.
Een trillend piepjong lichaam.
“Het kan zijn dat ze nog geseind in het systeem staat, Saskia. Maar dan vraag je maar naar de procureur van wacht als ze vragen stellen. Ik zal hem inlichten. Er is toestemming voor een gynaecologisch onderzoek”, sprak die jeugdrechter die ik gelukkig wel op een zondag kon bereiken. Het meisje was weken onrustwekkend verdwenen geweest – fier dat ik ze heb kunnen traceren in een rotmilieu – en stond in het systeem als “maatschappelijke noodzaak”.

En dan kom je op het Zorgcentrum na Seksueel Geweld. Je kan er meteen apart zitten. Geen wachtzaal met pottenkijkers. Geen wachttijd ook. Meteen een verpleegster die al de eerste vragen stelt. Vriendelijke mensen die zeer laagdrempelig uitleggen wat er moet gebeuren.
Die gewoon zijn dat minderjarige slachtoffers van pooiers de goorste gruwel met volwassenen hebben meegemaakt maar vaak nog niet de woordenschat beheersen door hun piepjonge leeftijd.
“Penetratie, wat the fuck is dat?”

Dan wordt uitgelegd wat een dna-test is, een uitstrijkje, wat politie kan doen, maar dat ze ook nog wat tijd mogen geven, eerst uitrusten.

Er is ook nazorg. En voor het slachtoffer én voor de netwerkfiguren. Tot maanden na de aangifte kreeg ik telefoon van het zorgcentrum, bij alle gevallen (er waren meer slachtoffers, helaas): “Hoe gaat het met jou, Saskia?”
Zonder er om te vragen beseffen ze dat betrokkenen bij een aangifte van dergelijke gruwel ook nood hebben aan een telefoontje.

En pas op. Er kunnen nog zaken verbeteren. Zo is elk slachtoffer dat ik ken helaas eerder geplaatst, vaak om zeer ernstige redenen in de thuiscontext en toch zijn er vragen bij de aangifte “Naam mama, naam papa”. Te belastend en te confronterend. Soms weten ze zelfs de naam van hun vader niet.

Maar ik ben in naam van de slachtoffers een blij mens dat er zorgcentra bijkomen in Leuven, Charleroi en Antwerpen.
Nu was het enkel in Gent voor Vlaanderen.
Een te grote afstand voor slachtoffers uit Turnhout bvb. Nochtans is de aanpak zo verschillend met een gewoon ziekenhuis. Er is een rustruimte. Je krijgt medicatie mee waardoor je niet meer uitgeput een apotheek moet zoeken enz. Politie komt in burger. Je kan verhoor doen in de zetel met een tasje thee. Niet in een kil luidruchtig politiekantoor enz.

Zeer tevreden met 3 extra centra. VZW Ne(s)T kreeg trouwens projectsubsidie via Zuhal, de convenant wordt nu uitgevoerd door Kris Peeters. We kregen gisteren onze eerste schijf betaald nadat ons eerste tussentijds verslag met aanbevelingen voor de federale departementen “verbetering ondersteuning minderjarige slachtoffers van kutpooiers” werd GOEDGEKEURD door het kabinet. De eerste euro van de overheid is binnen. Na 19 maanden onbezoldigd zwoegen en met de steun van jullie noodzakelijke giften is die intensieve periode gelukt. YES.

SVN

Advertenties

Hoe het ook goed kan komen

Wat een prachtbeeld. Een grote glimlach. Ergens deze week….

Het was rond middernacht. Ik ging een meisje halen aan het station. Ik stop met de wagen en zie voor mij een jonge gast een dakloze man met een hond aanspreken.
Ik kijk vanuit de auto. Zie de jonge gast een koffie in bekertje geven en een gesprek voeren.
Hij draait. “Ah, maar het is Kevin (schuilnaam)”, denk ik meteen.
Ik zet de motor af en stap uit.
“Hey Kevin”, meteen een dikke knuf en warme omhelzing.

Jaren geleden. De deurbel ging. Onverwacht. “Sas, Sas, ik heb iets fout gedaan. Help mij.”
Hij biechtte enkele inbraken op. “Maar ik ben bewust altijd binnengegaan waar géén mensen waren. Maar moest eten, Sas”.

In overleg met een jeugdadvocaat had hij de moed alles te gaan aangeven en spontaan te vertellen bij de politie.
Hij kon beschikken en werd voor de zoveelste keer in een open jeugdzorgvoorziening geplaatst.
Vanaf dat moment kwam hij verschillende keren per week langs. Ik hielp bij huiswerk of het zoeken van hobbymateriaal.
“Weg van die straat, Kevin. Je kan beter”.

Kevin was al van kindje een bekende bij de jeugdrechtbank. Chronisch verslaafde ouders. En vaak huiselijk geweld.
Hij werd vaak in crisis geplaatst, bij de zoveelste escalatie. Maar even vaak werd er terug naar huis gewerkt.
Het ging weer niet die periode. En daardoor leefde hij als prille tiener van 13 jaar al op de straat. Toen hij 15 jaar was herhaalde zich dat. Kassa’s stelen voor eten.

8 maanden na de aangifte werd plots op de knop geduwd. HIj moest plotsklaps naar de gesloten gemeenschapsinstelling voor de diefstallen. 8 maanden later. Terwijl hij het terug goed deed op school.
Maatregel kon wegens plaatsgebrek niet eerder uitgevoerd worden. 8 maanden, mensen. Een buitenstaander gelooft dat niet.
Een paar vrienden en ikzelf hebben hem toen niet losgelaten.
Nu moeten we zeker volhouden. “We zijn er Kevin. Niet terug de moed verliezen. Je hebt nog een heel leven voor je”.
“Die komt er nooit”, klonk het bij de hulpverlening. “Vogel voor de kat”.
“Nee, die komt er verdomme wel”, brulde ik.

We zijn nu jaren later. Kevin is een fijne kracht, betaald door de stad, als straathoekwerker. In de winterprik gaat hij alle parken en stations af op zoek naar daklozen. Om ze van de straat te halen, praatje mee te doen of koffie aan te bieden.
Een crème van een gast. Inkomen, job. Alles.
En andere kwetsbaren helpend.

Prachtig, toch?

SVN

Een vreemdelingenpasje …

Dag Romeo,

Dagen heb je de kranten gehaald. Als dat jongetje zonder identiteit. Al jaren geleden stond je in de krant. Mensen waren verbouwereerd. “Hoe kan dat nu?”. Een jongetje hier geboren, géén enkele roots elders en van dag één onder toezicht van een jeugdrechter.
Jouw mama was zelf piepjong toen ze je kreeg en werd ook onder jeugdrechtbankmandaat geplaatst. Zij was té jong om te zeggen uit welk land ze kwam. En zo gebeurde dat je plots in een administratieve molen terechtkwam, één keer jouw mama 18 jaar werd.
Niemand kon jouw dossier nog volgen. Zelfs de jeugdrechter stelde een extra advocaat aan, nét om jouw papieren in orde te krijgen. Beloftes volgden. Media-aandacht maakt nu éénmaal dat plots burgemeesters, parlementsleden en regeringsleden toeteren “dat het wel in orde zou komen”.
Maar het kwam niet in orde.
Vorig jaar was je zelfs de directe aanleiding dat Theo Francken mij deblokkeerde op Twitter. Hij beweerde namelijk dat je pas van je 2 jaar oud in het land was.
“I beg your pardon, Theo?”, heb ik dan getoeterd. Hij is hier geboren én getogen, getogen in een fijn, warm pleeggezin.
Plaats geboorte en naam ziekenhuis gaf ik Theo in een privébericht.
En Theo beloofde een oplossing.
Hij organiseerde een overleg tussen zijn diensten, justitie en Binnenlandse Zaken.
Maar er kwam weer geen oplossing. Integendeel, Theo toeterde daarna dat hij NIET bevoegd was. NIET.

Ondertussen ben je na al die jaren (en twintig kabinetten die jouw dossier hebben bekeken ) 13 jaar geworden.
13 jaar. En kan je het land niet verlaten of niet in clubverband voetballen terwijl je talent hebt. Omdat je eigenlijk geen identiteit hebt.
Davy De Fauw was zo aangedaan van jouw verhaal in de krant dat hij ons allebei uitnodigde om eens naar een wedstrijd van Zulte-Waregem te komen kijken. En je mocht de bal trappen.
Ondertussen ook al jaren geleden.

De camera’s draaiden. Als ministers toeteren dat ze een oplossing brengen, verzwakt de publieke aandacht.

Vandaag ging je in alle stilte jouw verblijfskaart halen. Een verblijfskaart B. “Je bent nu officieel vreemdeling”, klinkt het.
Meer kan én wil ons land niet voor jou doen.

Plaatsvervangend beschaamd ben ik, Romeo.
“Officieel vreemdeling”. Terwijl je hier geboren bent en geen enkele band hebt met één of ander land. De band met jouw mama lukt ook niet, ze is té kwetsbaar door alle ellende die ze heeft meegemaakt.

En Theo kunnen we niet meer wijzen op zijn zoveelste onwaar getoeter. “Niet bevoegd” zei hij en nu hij weg is als staatssecretaris krijg je een vreemdelingenpasje.

“Hoezo, vreemdeling, Sas? Ik begrijp dat niet. Ik ben hier toch geen vreemdeling?”
Je zag het niet Romeo. Maar ik kan bij zo’n vraag alleen maar mijn tranen de vrije loop laten.
Fluisterend “Een vreemdeling zal je hier thuis nooit zijn, Romeo. Nooit. We blijven vechten voor jouw papieren en het recht op een Belgische nationaliteit”.

(Romeo is een schuilnaam die hij gekozen heeft toen ik zijn eerste artikel schreef, hij was toen 7 jaar).

SVN

De start van 2019…..VZW Ne(s)T

Ze sprong in de lucht. Letterlijk met twee handen de telefoon vasthoudend. Enthousiast:
“Kijk, kijk, kijk Sas, mijn jeugdrechter heeft gestuurd. Hij stuurde net een Whatsapp-berichtje naar mij “Gelukkig Nieuwjaar”.”

We stonden buiten op straat. Naar het vuurwerk te kijken. 7 over middernacht. En daar glinsterden die ogen. Van pure blijdschap. Dat zeflbeeld dat zichtbaar op haar gezicht een boost kreeg.
“Hij stuurt dat naar mij hé”, En nog eens “Naar mij hé. Hij denkt aan mij”.

Deze ochtend stond ik met een glimlach op. Dat ene zinnetje mag met alle complimenten dé symboliek van het komende jaar worden. Dat jeugdrechters ook sociale media gebruiken. Dat ze streng en rechtvaardig handelen tijdens de zittingen en/of voorleidingen maar er ook steeds zijn bij verjaardagen of een nieuwjaar. Wat een voornemen zou dat zijn?

Al helemaal als je hier de context kent zijn die paar woorden van onschatbare waarde.
Dit meisje werd wegens plaatsgebrek in de zorg 4 nachten in een Antwerpse politiecel gehouden. Toen ze 13 jaar was. Jawel, een kind van 13 jaar. Geen douche of warm eten. 4 nachten. Wél fijne politieagenten die vriendelijk waren en een broodje kaas brachten en wat cola.
Ze vierde de laatste jaren ook nieuwjaar achter slot en tralies. In die beveiligende settings. Slot op de deur.
Ze heeft ook geen familie die dergelijke berichten stuurt.

En het kost géén geld. Gewoon geen geld. Wél een groot engagement omdat jeugdrechters nu éénmaal té veel dossiers draaien. En ook recht hebben om oud en nieuw strikt privé te vieren.

Al maanden zit ze bij mij. Dat wat hier gestart is met “kutpolitie, die hebben mij opgesloten” en “kutjeugdrechter want ik mocht niets” neemt stilaan plaats voor dat besef dat deze mensen ook goeie mensen kunnen zijn, er zijn in haar belang, er zijn om te helpen én te beschermen.

“Mijn jeugdrechter is toch ook een toffe hé, Sas”.

“Kom eens hier”, zei ik. Ik gaf haar een stevige knuffel en wenste haar met een kus op het voorhoofd “gelukkig nieuwjaar”.
Ons kleintje van de Ne(sT-bende. Als ik haar knuffel komt haar hoofd nét aan mijn nek. Vandaar.

Dat ene zinnetje. Via Whatsapp. Moge dit een start zijn van dàt nieuwe jaar waar we nog meer én elke dag zullen inzetten voor een meer menselijke jeugdzorg. Nog meer met een belevingswereld voor én door kinderen en jongeren.
Laat het een jaar zijn waar slachtoffers van de grootste gruwel meer inspraak én de juiste steun krijgen. En waar we samen zorgen dat elk kind in Vlaanderen een thuis mag voelen.

Gelukkig 2019 mensen. Blijf verontwaardigd bij alle vormen van onrecht én vooral : wees solidair en mild voor elkaar.

SVN

Papieren vaders

Het was 2011.
In de bus van pleegouders Sandra* en Ronny* viel een brief. “Gelieve te noteren dat de achternaam van Enora* is veranderd. Zij werd erkend in gemeente Rijswijk* door meneer Didri*”.

Dat was het. Eén briefje. Enkele regeltjes. En daar sta je dan als pleegouders.

Enora* was op dat moment 7 jaar. Zij kon dus al lezen en schrijven. En dan moet je zo’n meisje uitleggen dat ze vanaf nu een andere achternaam zal dragen.
Dat de klevertjes op de kaften van de schoolboeken zullen worden aangepast en dat ze onder deze nieuwe naam op de dansles en in de Chiro zal moeten worden ingeschreven.

Enora* werd in dit pleeggezin geplaatst vanaf geboorte. Contactherstel met haar mama lukt niet, integendeel, er liep weer een zoveelste contactverbod. Maar dat contactverbod hield niet tegen dat de mama op afstand – jawel, geen grap, kindje nooit gehoord of ook niet haar hoedehouders – geld kreeg voor haar drugsverslaving door één of andere Tunesiër die illegaal in ons land verbleef en in return had hij gevraagd aan deze ‘mama’ of hij het kindje mocht erkennen. Dat kindje waarvan een foto op haar kleine studio aan de muur hing.

En dat kon. Ik schreef toen over dit kindje. De reacties die ik toen kreeg van de woordvoerders in de toenmalige regering was het volgende “Zolang een kind onder de 12 jaar geen papa heeft, dus enkel naam van moeder draagt en dat vakje nog openstaat kan het vaderschap zonder dna en enig bewijs en zonder enige moeite worden geclaimd. Enkel de toestemming van de moeder is nodig”.

“Ja maar, deze moeder heeft om ernstige reden contactverbod. Kindje wordt in een pleeggezin opgevoed”.

“Dat is dan ongelukkig, dat ziet de gemeente niet”.

“Dus nu moeten we dat kindje ook nog eens uitleggen dat ze een andere achternaam krijgt terwijl ze al een rugzakje ‘precaire thuis’ draagt, maar wie dat is dat zal ze niet meteen weten want deze man is een contact van haar mama die op haar beurt contactverbod heeft?”.

Ik maakte daarna nog enkele artikels. Over een andere verslaafde Belgische mama die vier van haar zes kinderen ook liet erkennen door heerschappen die illegaal in ons land verbleven en in return voor verblijfsrecht op grond ‘vaderschap’ haar bevoorraden met drugs. Deze kindjes zijn tot vandaag geplaatst in pleeggezinnen.
Ook daar was het zeker bij één vader fraude. Hij zat namelijk heel de tijd in één van onze gevangenissen waar deze moeder niet op bezoek is geweest en toch kon ze die periode zogenaamd zwanger zijn van hem.
De dag dat hij de gevangenis verliet erkende hij dit kindje. Ze kenden elkaar enkel via tussenpersonen.
Ik legde dit bewijs voor maar het kon niet baten. “Vaderschap kan niet worden afgenomen”.

Vandaag staat op de voorpagina van De Standaard dat deze regering iets wil doen aan deze verblijfsrechtbaby’s. Het valselijk claimen van een kindje om zo verblijfsrecht op grond vaderschap op te eisen.

Het wordt afgedaan als nieuw nieuws. Maar ik heb na mijn artikels de parlementaire discussies gevolgd. Dit voorstel ligt met de regelmaat van de klok op de politieke tafel. Al jaren.
Het ketst steeds af omdat je geen dna kan afdwingen. Enkel het parket in zeer uitzonderlijke gevallen.
Benieuwd of dit keer de praktijk wel aan deze beloften worden gekoppeld.

SVN

(Alle namen* hierboven zijn veranderd omwille van privacy, elk kindje hier beschreven zit nog steeds in een pleeggezin met de namen van deze papiervaders, ze hebben die vaders nog steeds niet gezien).

Jeugdzorg vroeger en nu

Bedankt Canvas en dan nu meteen verder aan de slag.

“Laat ik met een vraag openen, ik weet dat je ook onder toezicht van de jeugdrechter stond en in instellingen zat, wat was daar jouw grote gemis?”
Ik had “een kerstfeest in een gezin, een moeder en een vader” kunnen antwoorden want ik zag mijn ouders niet meer maar ik zei “Omdat u me die vraag nu stelt, zoveel jaren later, niets eigenlijk. Niets”.
Ik wist dat Corine op de publiekstribune zat. Zij is vandaag één van mijn allerbeste vriendinnen, steeds is ze daar. Zij was vroeger een opvoedster van mij.
Ik ging verder met Corine in gedachte “Omdat ik met wat ik nu zie in de jeugdzorg besef dat ik nog nabijheid heb gekend, betrokkenheid, menselijkheid en last but not least : continuïteit. En om het over uw terrein te hebben, beste jeugdrechter Vandaele, ik had één jeugdrechter. Eén jeugdrechter, die werd steeds gevat bij een probleem, die brieven schreef, die tot de instelling kwam om een wandeling met mij te maken en die me op mijn 18 jaar uren een levensles gaf over de valkuilen en plichten als volwassene”.
En wat zie en hoor ik nu “Dat een kwetsbaar 14-jarig meisje soms 8 jeugdrechters op een jaar ziet. 8. Dat is niet één keer een vervanger, dat is steeds een vervanger wanneer in crisis een zitting moet plaatsvinden. 8 verschillende jeugdrechters. U weet dat.
Dat is zo nefast omdat deze kinderen vaak al zoveel bagage hebben door een complexe moeilijke thuissituatie en dan zien ze steeds iemand anders die over hun leven beslist, die beslist waar ze zullen worden geplaatst, waar ze tijdelijk elders moeten wonen en mocht dat alles zijn maar dan zien ze ook nog eens om de haverklap een andere consulente of begeleider omdat deze mensen meer en meer met korte termijncontracten werken en steeds schuiven naar een andere dienst of instelling”.
En nog iets belangrijk “mijn opvoeders waren met ons, de gasten in de leefgroepen, bezig, er was zelfs maar één computer in de opvoederskamer. Daar zaten ze zelden of nooit.
Nu zitten begeleiders in jeugdinstellingen de helft van de werktijd elk achter hun computer. “De verplichte administratie. Contextpapieren invullen en zorgen dat alles in orde is voor mocht er een inspectie komen bvb”.
Ik mis dus veel, maar in het nu, voor al die kinderen die nu leven in een instelling of een andere beschermingsmaatregel kennen”.

Hij knikte en bevestigde. Philippe ging zelfs nog een stap verder.
Over het erbarmelijke niveau van zorgverslagen. “Ik moet beslissingen nemen aan de hand van verslagen, soms zijn die niet klaar en indien wel zijn ze soms van een zeer laag niveau. Ook ik maak me zorgen. En dan heb ik het nog niet over plaatsgebrek, schrijnend plaatsgebrek. Zo neem ik soms een beslissing tot een uit huis plaatsing omdat de situatie daar volstrekt onveilig is voor kleine kindjes. Ernstige hallucinante agressie. Maar dan is mijn vonnis onuitvoerbaar. Jawel, onuitvoerbaar. Omdat er nergens plaats is. En dan stuurt de procureur het dossier terug en dan moet ik met lede ogen deze kindjes in afwachting van plaats terug toewijzen aan diezelfde thuissituatie in afwachting van uitvoerbaarheid. Dat kan soms weken duren”.
Ook hij ging verder “U hebt een groot punt. Dat is zelfs een structureel probleem. Dat we geen tijd meer kunnen nemen voor een uitvoerig afrondend gesprek op 18 jaar. Soms sluiten we een dossier zonder onze jongere te zien, omdat we met meer dan 400 dossiers per jeugdrechter werken”.

Het gesprek was veel langer. Gisteren tijdens het Canvas-debat in Mechelen. Ik had de eer er te mogen zitten als één van de 20 experten en mocht in gesprek gaan met deze Antwerpse jeugdrechter.

Daarna was het receptie. Er kwamen mensen uit het publiek op mij af, nog nooit ontmoet. “Ik werk in voorziening X, Saskia. Bedankt voor al jouw werk. Wij kunnen en mogen dat niet publiek zeggen maar jouw stem is echt nodig. Kindjes die thuis niet meer terechtkunnen hoppen van plaats naar plaats, worden in internaten gedropt en weet je wat er dan gebeurt : op vrijdagnamiddag staat de telefoon bij ons roodgloeiend. Terwijl we tientallen kinderen op de prior-wachtlijst hebben staan
“dringende uit huis plaatsing nodig, onveilig” bellen de indicatiestellers “We hebben een crisis want internaat sluit, kan die in weekend bij jullie?” en je legt telefoon neer en de volgende telefoon gaat. Of diezelfde indicatiesteller belt wat later nog eens terug voor nog een ander kindje….
Ook een leraar uit een BuSO-school kwam mij een hand geven. “Maanden moeten wij wachten samen met CLB op een hulpvraag wanneer we een kind hebben in de klas dat thuis wordt afgeranseld. Blijf uw werk verder zetten aub”.

Ik zou nog zoveel kunnen zeggen over gisterenavond. Zoveel fijne interessante mensen. Het is ondertussen een publiek geheim dat ik een ban ken van het Agentschap Jongerenwelzijn. Ik zou te kritisch en te negatief berichten. 5 mei moet ik weeral op bemiddelingsgesprek. Indien dat afketst loert de rechtbank.
Wel, ik zal gaan en hopen op een nieuwe samenwerking. Maar indien dat niet lukt is dat het laatste gesprek. Ze mogen dan met mijn groeten naar de rechter stappen. Gisteren besefte ik namelijk één ding : ik ben nog veel te braaf. Veel te braaf. Ik slik het niet, gewoon niet dat vonnissen van jeugdrechters die waken over de zelfontplooiing van kinderen in Vlaanderen onuitvoerbaar zijn waardoor deze kinderen thuis tussen de heroïnespuiten blijven zitten of verder worden verrot geslagen door een inwonende stiefpapa. Zo moest ik het verhaal van de dood van Jordy wereldkundig maken. Dat is mijn godverdomse plicht.

Na het debat en receptie ging ik met Corine en Kim in een tentje zitten. Er was in de ingang van het Lamot-gebouw een tentje gezet. In die tent drie stoelen met een hoofdtelefoon, in die tent een pop in een slaapzak. In de hoofdtelefoon kan je luisteren naar mijn afscheidstekst aan Jordy. Die werd op band ingesproken. Elk woord deed huiveren. De administratie vreet aan al die goeie gemotiveerde krachten op het terrein. De jeugdsector verzuipt in regels en procedures.
Het Agentschap mag mij steeds – graag zelfs – positief nieuws aanreiken. Ik zal altijd de mensen werkzaam in de sector evenveel verdedigen als al die kwetsbare kindjes en tieners. Maar zolang ik steeds word aangesproken “doe zo verder Saskia” en die hallucinante werkelijkheid blijf horen zal ik blijven schrijven, ban of niet. Omdat ook een jeugdrechter zoals Philippe Vandaele verdient vonnissen te kunnen schrijven die meteen uitvoerbaar zijn. In het belang van het betrokken kind én onze maatschappelijke toekomst.

SVN

Rusthuisfactuur te hoog? “Laat de kinderen betalen”, zegt CD&V

CD&V wil met een wetsvoorstel de ongelijkheid wegwerken.
“Momenteel wordt bij 95 % van de bewoners de kosten door de kinderen terugbetaald maar wij willen dit ook bij de overige 5 %, die ongelijkheid moet worden weggewerkt”.

Kamerlid Nahima Lanjri zegt wel dat er uitzonderingen worden toegestaan : die kinderen die hun ouders al jaren niet zien en die kinderen die zelf financieel aan de grond zitten.

Straf. Erg straf. Zou mevrouw Lanjri weten hoeveel van die 5 % niet onder deze laatste categorie vallen?
En hoe ziet mevrouw Lanjri dat bewijs in haar wetsvoorstel?

Je kunt namelijk héél makkelijk bewijzen dat je financieel aan de grond zit : zelf onder schuldbemiddeling bijvoorbeeld, maar je kan heel moeilijk bewijzen dat je je ouders al jaren niet ziet.

Hoe gebeurt dat dan, mevrouw Lanjri? Op het woord van die kinderen? “Ik zie mijn moeder al jaren niet meer”. en is dan de kous af? Of verwacht u daar bewijs? Mijn vraag is dan ‘welk bewijs?’

Ik blijf bij mijn eigen verhaal. Ik ken mijn moeder niet van mijn 9 maanden oud. Gewoon niet. Buiten een vluchtige aanwezigheid op een begrafenis van een gezamenlijk familielid en één keer bij een toevallige ontmoeting heb ik die vrouw nog nooit gezien. Jeugdrechtbankdossiers worden na 30 jaar vernietigd. Nog twee jaar en een half dus en ik kan daar geen enkel bewijs meer vragen aan de kant van justitie.

Door de privacywet mag ik niets over haar weten. Mijn zus sprong enkele jaren geleden voor de trein, een telefoontje naar één van de residentiële psychiatrie-voorzieningen (waar ik via via weet dat ze daar is geweest) maakte dat ik toen zelfs niet mocht weten of ze nog nazorg krijgt of onder (ambulante. residentiële) behandeling is. Haar reactie op de dood van mijn zus maakte nochtans dat ik voor de veiligheid van mensen die ik graag zie, dat graag had geweten.
Maar dat mag niet.
Ik weet dus de ballen van dat mens, enkel dat ze volgens het rijksregister mijn moeder is.

Hoe ga ik binnen enkele jaren (veronderstelling) bewijzen aan het OCMW dat ik dat mens niet ken wanneer ze zou komen te wonen in een rusthuis?
Mijn Facebook afprinten? Omdat ik iemand ben die hier wel openlijk over praat?
Dat lijkt me geen bewijs. Ik kan meteen tientallen mensen uit mijn jeugdinstellingen opnoemen die niet publiek praten over die zaken en dat is hun volste recht.

Dus hoe, mevrouw Nahima Lanjri, ga je bewijzen dat je je ouder al jaren – in mijn geval een heel leven – niet ziet? Hoe?

En deze vraag is – HELAAS – legitiem. Ik ken verschillende mensen die een voorgaande kennen onder de jeugdrechtbank en die plots loonbeslag hebben op hun rekening omdat ze plots moeten betalen voor hu vader/incestpleger of moeder/psychotische patiënt omdat ze niet de moed vonden hun gans verhaal te doen of omdat de uitleg ‘ik verklaar op mijn woord….’ niet werd aanvaard.

Graag hierop een duidelijk antwoord.

SVN